Gevechtsbereidheid 

Van het weekend was het fietsen in de kou. Door de hoge luchtvochtigheid voelde het nog frisser dan het al was. Het was op de open stukken wit van de rijp in het gras, het gaf iets van licht aan de dag, want van de zon was niets te bekennen. Net als op de bomen aan de rand van het bos, veranderde de vocht in de lucht in ijs aan de windkant van onze fietskleding. Zo werden we langzaam, maar telkens meer, onderdeel van het geheel.

Fietsen in de kou vraagt een bepaalde vorm van gevechtsbereidheid. Wetend dat de kou op een gegeven moment ergens toeslaat. Meestal bij de handen of voeten. Handschoenen die het ene moment comfortabel warm zijn, kunnen het andere moment de oncomfortabele kou niet meer tegenhouden. Ook reageren de spieren vaak anders en gaat wat normaal gewoon gaat in eens niet meer. Dan wordt schakelen en remmen een uitdaging omdat de handen niet meer de benodigde kracht en handeling kunnen opbrengen. Dan is staan op de pedalen iets vreemds, want de connectie tussen de voeten en de pedalen lijken er niet meer te zijn. Ondanks dat ik me op dit alles probeer voor te bereiden en juist probeer te kleden is er altijd wel ergens een moment een gevecht met de kou.

Van het weekend hadden we aan het einde van de graveltocht een langlopend stuk vals plat omhoog. Allemaal persten we de laatste restjes vermogen uit onze benen. Ik ging aan en werd gecounterd en in mijn hoofd begon het spel van gaan voor gemak of om door te vechten. in dit gevecht, passeerden de gesprekken van de week de revue en ik wist dat ik van de week al een keer voor het gemak had gekozen. Dat mij wil was gebroken en de gevechtsbereidheid onder nul was gezakt. Niet nog een keer dacht ik, staan op die pedalen en gaan. De vermogens waren niet als normaal, de kou had de nodige sloopwerk verricht, maar het had niet mijn gevechtsbereidheid ontnomen. 

Toen ik een dag later al hardlopend nog de week aan het doornemen was met een goede vriend, hadden we het ook over gevechtsbereidheid. Hij daagde me uit en zei de woorden die eerder die week ook voorbij kwamen; “als je in de ring stapt David moet je ook doorvechten”. Hij had natuurlijk gelijk, ook al was het niet wat ik op dat moment liever hoorde. Want ik weet als ik stop met vechten het risico is dat ik me ook distantieer van de situatie. Wat het gevolg is dat ik twijfel aan mij bestaansrecht… Dan zegt hij de woorden die ik denk door een verhaal over een soldaat die de wacht houd in een schuttersputje. Wat ben ik dankbaar dat een vriend de gevechtsbereidheid weer in mij aanwakkert.

Net als de kou weet toe te slaan, weet het leven soms door de verdedigingslinie heen te breken. De kunst voor mij is om niet aan mijn bestaansrecht te twijfelen, me niet te distantiëren. De handschoen op te pakken, op de pedalen te gaan staan. De gevechtsbereidheid aan te wakkeren, vrij ruimte te geven. Om te gaan en met niet te laten stoppen door mijn eigen twijfels.