
IJzige kou
Van de week was ik al een aantal keren vroeg op pad. In de ijzige kou (het leek wel een vrieskast) liep ik de kilometers weg. Het was nog stil, ijzig stil onderweg. De sneeuw was gedurende de dagen telkens meer weggesmolten door de zon van de vorige dagen en lag op andere plekken nog in mooie duinen te glinsteren in de vroege ochtendzon. Het leken wel witten bergen met kleine kristallen. De harde oostenwind had ik op de heenweg in de rug, op de terugweg zorgde deze voor ijsdruppels van condens in mijn baard. Om niet helemaal verijst thuis te komen zocht ik zoveel als mogelijk de beschutting van de bomen op om de ergste kou te ontlopen.
Ik weet niet hoe het voor jou voelt op dit moment, maar ik merk dat het binnen in mij stiller wordt. Ik moet oppassen dat het niet ijzig stil wordt. De inspiratie voor het schrijven, wat vaak ontstaat in de chaos, in het onverwachtse, in de ontmoetingen in het leven, is door het huidige ritme in het leven als een koude wind langzaam aan het bevriezen. Alleen door de stilte is, net als sneeuw op het ijs, voor mijzelf niet echt duidelijk hoe ver de ijzige kou al is doorgedrongen.
Als ik vertrek in de kou is het begin het meest oncomfortabel, als ik tenminste de juiste kleding aan hebt, anders blijft het oncomfortabel. Als de motor na de opstart opgang is gekomen, wordt de kou langzaam maar onbewust uit mijn lichaam verdreven. Door te blijven bewegen, blijf ik op temperatuur. Toch is het dan verraderlijk om te beginnen met meewind, halverwege als ik omkeer en er tegenwind is, dan is er een tweede oncomfortabel moment. De kou waagt een ultieme poging om de warmte uit mijn lichaam te verdrijven. Helaas voor de kou is deze een paar minuten later weer langzaam verdreven.
Waar ik in het verleden schreef naar mijn zoektocht naar verstilling, merk ik dat ik nu meer als genoeg verstilling heb. Het lijkt bijna of ik in een soort van winterslaap ben gevallen. Niet qua beweging, maar wel in het koppie. Op de een of andere manier zorgt het er ook voor dat de intensiteit waar mee ik dingen beleef, minder lijkt. Misschien moet ik het anders verwoorden. Er gebeurt gewoon minder, waardoor er minder intense momenten zijn en de behoefte in mij naar verstilling naar de achtergrond is verdwenen. Aan de ene kant geniet ik zeker van de stilte van het moment, aan de andere kant merk ik dat het prikkelzoekende in mij nu wel enorm bevroren is.
De conclusie die ik misschien kan trekken is dat ik gewoon moet door rennen, dat het dan vanzelf wel goed komt. Dat ik door moet gaan met de dingen die ik doe. Ik ben bang dat er dan alleen nog een strenge nawinter in het vooruitzicht ligt. Misschien moet ik het juist af en toe wat oncomfortabel maken voor mijzelf. Wat vaker van richting veranderen zodat mijn lichaam nieuwe prikkels krijgt en onbewust gaat veranderen. Als de wind niet uit een andere hoek moeten gaat waaien, dan zal ik zelf een bepaalde vorm van wanorde moeten vinden.
Want de wind van richting laten veranderen zal mij niet lukken, de richting veranderen welke kant ik oploop daar in tegen wel. Misschien bots ik dan in plaats van tegen een koude wind weer tegen onverwachtse chaos en ontmoetingen.
